Individual Elements

←1P24
1P26→

1P25

Elements Used in 1P25
  1. 1a4  1P25d
  2. 1p15  1P25d
  3. 1p16  1P25s
  4. 1p15  1P25c
  5. 1d5  1P25c

Deus non tantum est causa efficiens rerum existentiæ sed etiam essentiæ.

DEMONSTRATIO: Si negas, ergo rerum essentiæ Deus non est causa adeoque (per axioma 4) potest rerum essentia sine Deo concipi : atqui hoc (per propositionem 15) est absurdum. Ergo rerum etiam essentiæ Deus est causa. Q.E.D.

SCHOLIUM: Hæc propositio clarius sequitur ex propositione 16. Ex ea enim sequitur quod ex data natura divina tam rerum essentia quam existentia debeat necessario concludi et ut verbo dicam eo sensu quo Deus dicitur causa sui, etiam omnium rerum causa dicendus est, quod adhuc clarius ex sequenti corollario constabit.

COROLLARIUM: Res particulares nihil sunt nisi Dei attributorum affectiones sive modi quibus Dei attributa certo et determinato modo exprimuntur. Demonstratio patet ex propositione 15 et definitione 5.

God is niet alleenlijk een werkende oorzaak van de wezentlijkheit, maar ook van de wezentheit der dingen.

Betoging.--Indien gy dit ontkent, zo is God geen oorzaak van de wezentheit der dingen, en zo kan men (volgens de vierde Kundigheit) de wezentheit der dingen zonder God bevatten. Maar dit is ongerijmt; (volgens de vijftiende Voorstelling van dit deel) zo is dan God ook d'oorzaak van de wezentheit der dingen; elijk te bewijzen stond.

Byvoegsel.--Deze Voorstelling volgt klarelijker uit de zestiende Voorstelling van dit deel. Want daar uit volgt zeer klarelijk dat uit de gestelde goddelijke natuur nootzakelijk zo wel de wezentheit, als de wezentlijkheit der dingen besloten moet worden; en, om weinig woorden te maken, in de zelfde zin, daar in men zegt dat God oorzaak van zich is, moet hy ook d'oorzaak van alle dingen gezegt worden; 't welk noch klarelijker uit de volgende Toegift zal blijken.

Toegift.--De bezondere dingen zijn niets anders, dan aandoeningen van Gods toeëigeningen, of wijzen, door de welken Gods toeëigeningen op een zekere en bepaalde wijze uitgedrukt worden. Het bewijs blijkt klarelijk uit de vijftiende Voorstelling, en uit de vijfde Bepaling van dit dee.

God is the efficient cause not only of the existence of things, but also of their essence.

Proof.--If this be denied, then God is not the cause of the essence of things; and therefore the essence of things can (by Ax. iv.) be conceived without God. This (by Prop. xv.) is absurd. Therefore, God is the cause of the essence of things. Q.E.D.

Note.--This proposition follows more clearly from Prop. xvi. For it is evident thereby that, given the divine nature, the essence of things must be inferred from it, no less than their existence--in a word, God must be called the cause of all things, in the same sense as he is called the cause of himself. This will be made still clearer by the following corollary.

Corollary.--Individual things are nothing but modifications of the attributes of God, or modes by which the attributes of God are expressed in a fixed and definite manner. The proof appears from Prop. xv. and Def. v.

Elements in Which 1P25 is Used
  1. 1P25  1p26d
  2. 1P25c  1p28d
  3. 1P25c  1p36d
  4. 1P25c  2d1
  5. 1P25c  2p1d
  6. 1P25c  2p2d
  7. 1P25c  2p5d
  8. 1P25c  2p10cd
  9. 1P25c  3p6d
  10. 1P25  5p22d
  11. 1P25c  5p24d
  12. 1P25c  5p36d