Individual Elements

←1P20
1P22→

1P21

Elements Used in 1P21
  1. 1p11  1P21d
  2. 1d2  1P21d
  3. 1p20c2  1P21d

Omnia quæ ex absoluta natura alicujus attributi Dei sequuntur, semper et infinita existere debuerunt sive per idem attributum æterna et infinita sunt.

DEMONSTRATIO: Concipe si fieri potest (siquidem neges) aliquid in aliquo Dei attributo ex ipsius absoluta natura sequi quod finitum sit et determinatam habeat existentiam sive durationem exempli gratia ideam Dei in cogitatione. At cogitatio quandoquidem Dei attributum supponitur, est necessario (per propositionem 11) sua natura infinita. Verum quatenus ipsa ideam Dei habet, finita supponitur. At (per definitionem 2) finita concipi non potest nisi per ipsam cogitationem determinetur. Sed non per ipsam cogitationem quatenus ideam Dei constituit; eatenus enim finita supponitur esse : ergo per cogitationem quatenus ideam Dei non constituit, quæ tamen (per propositionem 11) necessario existere debet. Datur igitur cogitatio non constituens ideam Dei ac propterea ex ejus natura quatenus est absoluta cogitatio, non sequitur necessario idea Dei (concipitur enim ideam Dei constituens et non constituens). Quod est contra hypothesin. Quare si idea Dei in cogitatione aut aliquid (perinde est quicquid sumatur quandoquidem demonstratio universalis est) in aliquo Dei attributo ex necessitate absolutæ naturæ ipsius attributi sequatur, id debet necessario esse infinitum; quod erat primum.

Deinde id quod ex necessitate naturæ alicujus attributi ita sequitur, non potest determinatam habere existentiam sive durationem. Nam si neges, supponatur res quæ ex necessitate naturæ alicujus attributi sequitur, dari in aliquo Dei attributo exempli gratia idea Dei in cogitatione eaque supponatur aliquando non exstitisse vel non exstitura. Cum autem cogitatio Dei attributum supponatur, debet et necessario et immutabilis existere (per propositionem 11 et corollarium II propositionis 20). Quare ultra limites durationis ideæ Dei (supponitur enim aliquando non exstitisse aut non exstitura) cogitatio sine idea Dei existere debebit; atqui hoc est contra hypothesin; supponitur enim ex data cogitatione necessario sequi ideam Dei. Ergo idea Dei in cogitatione aut aliquid quod necessario ex absoluta natura alicujus attributi Dei sequitur, non potest determinatam habere durationem sed per idem attributum æternum est, quod erat secundum. Nota hoc idem esse affirmandum de quacunque re quæ in aliquo Dei attributo ex Dei absoluta natura necessario sequitur.

Alle de dingen, de welken uit de volstrekte natuur van enigen van Gods toeëigeningen volgen, hebben altijt, en oneindig wezentlijk moeten wezen, of zijn door de zelfde toeëigening eeuwig en onëindig.

Betoging.--Indien gy dit ontkent, zo bevat, is 't mogelijk, dat 'er in enige toeëigening van God, uit kracht van zijn volstrekte natuur, iets volgt, 't welk eindig is, en een bepaalde wezentlijkheit, of during heeft; tot een voorbeelt, het denkbeelt van God in de denking. Nu, dewijl de denking onderstelt word een toeëigening van God te zijn, zo is zy nootzakelijk, (volgens d' elfde Voorstelling van dit deel) uit haar natuur onëindig. Maar voor zo veel zy Gods denkbeelt heeft, word zy onderstelt eindig te wezen. Doch zy kan (volgens de tweede Bepaling) niet eindig bevat worden, 't en zy dat zy door de denking zelve bepaalt word. Maar dit geschied niet door de denking zelve, voor zo veel zy Gods denkbeelt stelt; want dus verre word zy onderstelt eindig te wezen: dieshalven door de denking, voor zo veel zy Gods denkbeelt niet stelt, 't welk echter (volgens d' elfde Voorstelling van dit deel) nootzakelijk wezentlijk moet wezen. En dieshalven is 'er een denking, die Gods denkbeelt niet stelt: in voegen dat uit des zelfs natuur, voor zo veel zy een volstrekte denking is, niet nootzakelijk Gods denkbeelt volgt: want men bevat haar als het geen, dat Gods denkbeelt stelt, en niet stelt; 't welk tegen d' onderstelling is. Dieshalven, indien Gods denkbeelt in de denking, of iets anders (want het is even veel wat men neemt, dewijl deBetoging algemeen is) in enige toeeigening van God uit de nootzakelijkheit van de volstrekte natuur van zijn toeëigening volgt, zo moet het nootzakelijk onëindig zijn; 't welk het eerste van onze Voorstelling is.--Wijders, het geen, dat uit de nootzakelijkheit van de natuur van, enige toeëigening op deze wijze volgt, kan geen bepaalde wezentlijkheit, of during hebben. Indien gy dit ontkent, zo onderstel een zaak, die uit de nootzakelijkheit der natuur van enige toeeigening volgt, te weten, dat 'er in enige toeëigening van God, tot een voorbeelt, Gods denkbeelt in de denking, gestelt word, en onderstel dat het zelfde t' eniger tijt niet geweest heeft, of niet zal wezen. Maar dewijl men onderstelt dat de denking een toeëigening van God is, zo moet zy nootzakelijk en eeuwiglijk onveränderlijk wezen; olgens d' elfde Voorstelling, en de tweede Toegift van de twintigste Voorstelling. Dieshalven zal de denking buiten de palen der during van Gods denkbeelt, (want men onderstelt dat Gods denkbeelt t' enige tijt niet geweest heeft, of niet zal wezen,) zonder Gods denkbeelt moeten wezen. Maar dit is tegen d' onderstelling: want men onderstelt dat uit de gestelde denking nootzakelijk Gods denkbeelt volgt. Zo kan dan Gods denkbeelt in de denking, of iets anders, dat nootzakelijk uit de volstrekte natuur van enige van Gods toeëigeningen volgt, geen bepaalde during hebben, maar moet, uit kracht van de zelfde toeëigening, eeuwig zijn; 't welk het tweede is, dat te betogen stond. Hier staat aan te merken dat het zelfde van yder ding, 't welk in enige van Gods toeëigeningen uit Gods volstrekte natuur nootzakelijk volgt, bevestigt moet worden.

All things which follow from the absolute nature of any attribute of God must always exist and be infinite, or, in other words, are eternal and infinite through the said attribute.

Proof.--Conceive, if it be possible (supposing the proposition to be denied), that something in some attribute of God can follow from the absolute nature of the said attribute, and that at the same time it is finite, and has a conditioned existence or duration; for instance, the idea of God expressed in the attribute thought. Now thought, in so far as it is supposed to be an attribute of God, is necessarily (by Prop. xi.) in its nature infinite. But, in so far as it possesses the idea of God, it is supposed finite. It cannot, however, be conceived as finite, unless it be limited by thought (by Def. ii.); but it is not limited by thought itself, in so far as it has constituted the idea of God (for so far it is supposed to be finite); therefore, it is limited by thought, in so far as it has not constituted the idea of God, which nevertheless (by Prop. xi.) must necessarily exist.

We have now granted, therefore, thought not constituting the idea of God, and, accordingly, the idea of God does not naturally follow from its nature in so far as it is absolute thought (for it is conceived as constituting, and also as not constituting, the idea of God), which is against our hypothesis. Wherefore, if the idea of God expressed in the attribute thought, or, indeed, anything else in any attribute of God (for we may take any example, as the proof is of universal application) follows from the necessity of the absolute nature of the said attribute, the said thing must necessarily be infinite, which was our first point.

Furthermore, a thing which thus follows from the necessity of the nature of any attribute cannot have a limited duration. For if it can, suppose a thing, which follows from the necessity of the nature of some attribute, to exist in some attribute of God, for instance, the idea of God expressed in the attribute thought, and let it be supposed at some time not to have existed, or to be about not to exist.

Now thought being an attribute of God, must necessarily exist unchanged (by Prop. xi., and Prop. xx., Coroll. ii.); and beyond the limits of the duration of the idea of God (supposing the latter at some time not to have existed, or not to be going to exist) thought would perforce have existed without the idea of God, which is contrary to our hypothesis, for we supposed that, thought being given, the idea of God necessarily flowed therefrom. Therefore the idea of God expressed in thought, or anything which necessarily follows from the absolute nature of some attribute of God, cannot have a limited duration, but through the said attribute is eternal, which is our second point. Bear in mind that the same proposition may be affirmed of anything, which in any attribute necessarily follows from God's absolute nature.

Elements in Which 1P21 is Used
  1. 1P21  1p23d
  2. 1P21  1p28d
  3. 1P21  1p29d
  4. 1P21  2p11d
  5. 1P21  2p30d
  6. 1P21  4p4d
  7. 1P21  5p40s