Individual Elements

←1P19
1P21→

1P20

Elements Used in 1P20
  1. 1p19  1P20d
  2. 1d8  1P20d
  3. 1d4  1P20d
  4. 1p20  1P20c2

Dei existentia ejusque essentia unum et idem sunt.

DEMONSTRATIO: Deus (per antecedentem propositionem) ejusque omnia attributa sunt æterna hoc est (per definitionem 8) unumquodque ejus attributorum existentiam exprimit. Eadem ergo Dei attributa quæ (per definitionem 4) Dei æternam essentiam explicant, ejus simul æternam existentiam explicant hoc est illud ipsum quod essentiam Dei constituit, constituit simul ipsius existentiam adeoque hæc et ipsius essentia unum et idem sunt. Q.E.D.

COROLLARIUM I: Hinc sequitur Iƒ Dei existentiam sicut ejus essentiam æternam esse veritatem.

COROLLARIUM II: Sequitur IIƒ Deum sive omnia Dei attributa esse immutabilia. Nam si ratione existentiæ mutarentur, deberent etiam (per propositionem præcedentem) ratione essentiæ mutari hoc est (ut per se notum) ex veris falsa fieri, quod est absurdum.

Gods wezentlijkheit, en zijn wezentheit zijn een en 't zelfde.

Betoging.--God (volgens de voorgaande Voorstelling) en alle zijn toeëigeningen zijn eeuwig; dat is (volgens d' achtste Bepaling) dat yder van zijn toeëigeningen wezentlijkheit uitdrukt. Dieshalven, de zelfde toeëigeningen van God, die (volgens de vierde Bepaling) Gods eeuwige wezentheit uitdrukken, drukken te gelijk ook zijn eeuwige wezentlijkheit uit: dat is het zelfde, 't welk Gods wezentheit stelt, stelt te gelijk zijn wezentlijkheit. Dieshalven, zijn wezentlijkheit, en zijn wezentheit zijn een, en 't zelfde; gelijk te betogen stond.

Eerste Toegift.--Hier uit volgt dat Gods wezentlijkheit, gelijk zijn wezentheit, een eeuwige waarheit is.

Tweede Toegift.--Ten tweeden volgt, dat God, of alle Gods toeëigeningen onveränderlijk zijn. Want indien zy, ten opzicht van hun wezentlijkheit, veränderden, zo moesten zy ook, (volgens de voorgaaude Voorstelling) ten opzicht van hun wezentheit, veränderen; dat is (gelijk uit zich bekent is) van waar valsch worden: 't welk ongerijmt is.

The existence of God and his essence are one and the same.

Proof.--God (by the last Prop.) and all his attributes are eternal, that is (by Def. viii.) each of his attributes expresses existence. Therefore the same attributes of God which explain his eternal essence, explain at the same time his eternal existence--in other words, that which constitutes God's essence constitutes at the same time his existence. Wherefore God's existence and God's essence are one and the same. Q.E.D.

Coroll. I.--Hence it follows that God's existence, like his essence, is an eternal truth.

Coroll. II--Secondly, it follows that God, and all the attributes of God, are unchangeable. For if they could be changed in respect to existence, they must also be able to be changed in respect to essence--that is, obviously, be changed from true to false, which is absurd.

Elements in Which 1P20 is Used
  1. 1P20c2  1p21d
  2. 1P20c2  1p22d
  3. 1P20c2  5p17d