Individual Elements

←1P13
1P15→

1P14

Elements Used in 1P14
  1. 1d6  1P14d
  2. 1p11  1P14d
  3. 1p5  1P14d
  4. 1d6  1P14c1
  5. 1p10s  1P14c1
  6. 1a1  1P14c2

Præter Deum nulla dari neque concipi potest substantia.

DEMONSTRATIO: Cum Deus sit ens absolute infinitum de quo nullum attributum quod essentiam substantiæ exprimit, negari potest (per definitionem 6) isque necessario existat (per propositionem 11) si aliqua substantia præter Deum daretur, ea explicari deberet per aliquod attributum Dei sicque duæ substantiæ ejusdem attributi existerent, quod (per propositionem 5) est absurdum adeoque nulla substantia extra Deum dari potest et consequenter non etiam concipi. Nam si posset concipi, deberet necessario concipi ut existens; atqui hoc (per primam partem hujus demonstrationis) est absurdum. Ergo extra Deum nulla dari neque concipi potest substantia. Q.E.D.

COROLLARIUM I: Hinc clarissime sequitur Iƒ Deum esse unicum hoc est (per definitionem 6) in rerum natura non nisi unam substantiam dari eamque absolute infinitam esse, ut in scholio propositionis 10 jam innuimus.

COROLLARIUM II: Sequitur IIƒ rem extensam et rem cogitantem vel Dei attributa esse vel (per axioma 1) affectiones attributorum Dei.

Buiten God kan geen zelfstandigheit wezen, noch bevat worden.

Betoging.--Dewijl God een wezend, volstrektelijk onëindig is, van de welke geen toeëigening, die wezentheit van zelfstandigheit uitdrukt, ontkent kan worden, (volgens de zeste Bevaling) en hy nootzakelijk wezentlijk is; (volgens d' elfde Voorstelling van dit deel) zo zou, indien 'er enige zelfstandigheit behalven God was, de zelfde door enige toeëigening van God moeten verklaart en uitgedrukt worden; en dus zouden 'er twee zelfstandigheden van een zelfde toeëigening zijn; 't welk (volgens de vijfde Voorstelling van dit deel) ongerijmt is. Daar kan dieshalven geen zelfstandigheit buiten God gestelt, en by gevolg ook niet bevat worden. Want indien zy bevat kon worden, zo zou men haar nootzakelijk, als wezentlijk zijnde, moeten bevatten. Doch dit is ongerijmt; olgens 't eerste deel van deze Voorstelling. Buiten God dan kan geen zelfstandigheit gestelt, noch bevat worden; elijk te betogen stond.

Eerste Toegift.--Hier uit volgt zeer klaarblijkelijk, dat God enig is, dat is (volgens de zeste Bepaling) dat in de natuur niet meer, dan een enige zelfstandigheit, en dat de zelfde volstrektelijk onëindig is; gelijk wy (in 't Byvoegsel van de tiende Voorstelling) hebben aangewezen.

Tweede Toegift.--Ten tweeden volgt, dat d' uitgestrekte en denkende zaak of Gods toeëigeningen, of (volgens d' eerste Kundigheit) aandoeningen van Gods toeëigeningen zijn.

Besides God no substance can be granted or conceived.

Proof.--As God is a being absolutely infinite, of whom no attribute that expresses the essence of substance can be denied (by Def. vi.), and he necessarily exists (by Prop. xi.); if any substance besides God were granted, it would have to be explained by some attribute of God, and thus two substances with the same attribute would exist, which (by Prop. v.) is absurd; therefore, besides God no substance can be granted, or, consequently, be conceived. If it could be conceived, it would necessarily have to be conceived as existent; but this (by the first part of this proof) is absurd. Therefore, besides God no substance can be granted or conceived. Q.E.D.

Corollary I.--Clearly, therefore: 1. God is one, that is (by Def. vi.) only one substance can be granted in the universe, and that substance is absolutely infinite, as we have already indicated (in the note to Prop. x.).

Corollary II.--It follows: 2. That extension and thought are either attributes of God or (by Ax. i.) accidents (affectiones) of the attributes of God.

Elements in Which 1P14 is Used
  1. 1P14  1p15d
  2. 1P14  1p15s
  3. 1P14c2  1p15s
  4. 1P14c1  1p17c2
  5. 1P14  1p18d
  6. 1P14c1  1p24c
  7. 1P14c1  1p29s
  8. 1P14c1  1p30d
  9. 1P14c1  1p33d
  10. 1P14c1  2p4d